Losse flodders

Bovenaanzicht

Posted by Oscar on  april 17, 2019

Dit verhaal stond op de shortlist voor de Amsterdam Nieuw-West Literatuurprijs en was onderdeel van het Nieuw-West Boekenweekgeschenk 2019

Omslagfoto door Edwin van Eis

Ochtendspits op de A9. Verkeer dat invoegt, remt, optrekt, van baan wisselt, optrekt, remt. De ruitenwisser piept. Naast me leunt mijn collega met zijn hoofd tegen het zijraam. Ogen dicht, mond open, smartphone losjes in de hand. Als ik hard moet remmen schrikt hij even wakker en kijkt verdwaasd om zich heen. Daarna valt zijn hoofd weer tegen het glas.

Ik neem de afslag Badhoevedorp. Slierten van licht kruipen in tegengestelde richtingen over stroken van asfalt die als een vlecht boven- en onder elkaar langs lopen. Het licht van de koplampen en straatlantaarns glinstert op het natte wegdek. Ik volg de borden die Slotervaart aangeven, stuur het busje onder viaducten door en over rotondes heen en rij door vochtige, lommerrijke straten.

” Vanaf de grond valt het niet op, maar gezien vanuit de lucht heeft het ziekenhuis de vorm van een hakenkruis. “

Op de parkeerplaats van het ziekenhuis staan zeecontainers waarin een gedeelte van de inboedel wordt opgeslagen vanwege de renovatie. Het renoveren gebeurt per afdeling, kamer voor kamer. Daardoor verloopt het proces niet erg snel maar kunnen alle afdelingen ondertussen wel gewoon in bedrijf blijven. Als je het mij vraagt is het pand rijp voor de sloopkogel, maar kennelijk is er geen geld voor iets nieuws. Vooral van buiten is het lelijk en grauw met die grijze betonplaten waarmee de gevel bedekt is. In de jaren tachtig zou het niet misstaan hebben ergens ten oosten van de Berlijnse Muur.

Vanaf de grond valt het niet op, maar gezien vanuit de lucht heeft het ziekenhuis de vorm van een hakenkruis. Daar kwam ik bij toeval achter toen ik het adres opzocht met Google Maps toen ik er verleden week voor de eerste keer naartoe moest. Niet dat ik er iets achter zocht, het viel me alleen op. Ik weet ook wel dat het hakenkruis een heel oud symbool is dat de nazi’s alleen maar geclaimd hebben en dat het vooral in het westen met het Derde Rijk wordt geassocieerd; dat er daarbuiten niet overal dezelfde negatieve connotatie aan kleeft. Aan de andere kant: dit gebouw staat nu eenmaal in het westen en gebouwen verrijzen niet per ongeluk in een willekeurige vorm. Ze ontstaan aan de tekentafel. Misschien is het een knipoog geweest of juist een middelvinger van de architect naar – ja, naar wie eigenlijk?

Los daarvan is het een opmerkelijke gedachte dat het pand bij de oplevering waarschijnlijk als modern gold en nu, minder dan een halve eeuw later, zo gedateerd oogt. Er zijn bouwwerken die als het ware buiten de tijd lijken te staan, die een schoonheid bezitten die niet slijt. Maar over het algemeen geldt dat er weinig is dat zo snel veroudert als het moderne.

” Buiten naast de ingang staan andere werklui en ziekenhuispersoneel te roken en te zwijgen en koffie te drinken uit kartonnen bekertjes. Voor de schuifdeur ligt een plas regenwater waar sigarettenfilters in drijven. “

Ik parkeer het busje bij de leveranciersingang. We laden ons materiaal uit: een rolcontainer met daarin wat hondjes, een dieplader om hoge dossierkasten te verplaatsen en een kist met gereedschap. Buiten naast de ingang staan andere werklui en ziekenhuispersoneel te roken en te zwijgen en koffie te drinken uit kartonnen bekertjes. Voor de schuifdeur ligt een plas regenwater waar sigarettenfilters in drijven. Als we met onze spullen naar binnen lopen mompelt iedereen goedemorgen.

Voorbij dit ochtendritueel ligt de gang die vanaf de leveranciersingang naar de liften leidt. Het stenen plafond is laag en lijkt nog lager vanwege de dikke verwarmingsbuizen die eroverheen lopen. Het is hier warm en schaars verlicht en er hangt een weeïge lucht – dezelfde geur die in kelders van grote hotels hangt, waar net als hier altijd karren vol met vuil beddengoed langs de muren geparkeerd staan.

“Als er een jonge dokter passeert, zijn kroeshaar opgeschoren, slaat ze hem met een handdoek tegen zijn kont. “

Een schoonmaakster met een hoofddoek groet ons met een glimlach en een knikje van het hoofd, ze trekt haar mopemmer aan de kant zodat we kunnen passeren. Een andere schoonmaakster, donker en fors, staat aan een tafel wasgoed te vouwen, een hoog opgebonden knot van dikke zwarte vlechten op haar hoofd. Als er een jonge dokter passeert, zijn kroeshaar opgeschoren, slaat ze hem met een handdoek tegen zijn kont.

De liften van het ziekenhuis bevinden zich in het hart van het gebouw: in het midden van het kruis. Het zijn er acht, maar wij – verhuizers, slopers, elektriciens, timmermannen, schilders – mogen er twee gebruiken. De rest is voor patiënten, bezoekers, artsen en verplegend personeel.

We halen koffie uit een automaat, nemen de lift naar de bovenste etage en duwen de klapdeuren naar de B-vleugel open. Zelden komt hier nog iemand; deze hele ruimte wordt alleen nog als opslag gebruikt. De tussenmuren zijn gesloopt, de gipsplaten zijn uit het systeemplafond verdwenen, de vloer is van kaal beton. Ik zet mijn tas op de grond en ga op een oud ziekenhuisbed liggen.

‘Gadverdamme,’ zegt Sebastiaan, mijn collega. ‘Weet je wel hoe ranzig die matrassen zijn?’

‘Thuis gooi ik alles toch meteen in de was.’

‘Misschien is er wel iemand op doodgegaan.’

Ik haal mijn schouders op. Maar een paar tellen later kom ik toch overeind en ga op een stapel isolatiemateriaal bij het raam zitten.

Het probleem is dat het niemand iets lijkt te kunnen schelen wat we hier doen zolang ze ons maar af en toe met een bureau op een hondje door een van de eindeloze gangen zien rollen of buiten stoelen in een container zien opstapelen. “

Het gloort buiten. Alles is grijs en nat, de letters op het dak van het ziekenhuis geven een blauw schijnsel af. Sebastiaan zit op een ladeblok waarvan een wieltje ontbreekt. Hij staart naar zijn telefoon. Ik tuur naar het verkeer verderop dat traag over de Amsterdamse ringweg kruipt. De hoogbouw van de Zuidas is in ochtendnevel gehuld. Al die lichten, al die levens. Forenzende mensen, mensen met banen en functies en targets.

‘Moeten we maar eens iets gaan doen?’ vraag ik.

Sebastiaan staat zuchtend op en stopt zijn telefoon in zijn broekzak. ‘Nog twee uur tot de eerste pauze.’

Het probleem is dat het niemand iets lijkt te kunnen schelen wat we hier doen zolang ze ons maar af en toe met een bureau op een hondje door een van de eindeloze gangen zien rollen of buiten stoelen in een container zien opstapelen. Er loopt hier een soort veredelde conciërge rond die ons van dag tot dag en soms van uur tot uur instructies geeft. De man draagt glimmende puntschoenen en kleurrijke overhemden met psychedelische patronen erop. Aan zijn riem bungelt een grote bos met heel veel sleutels en altijd als je hem ziet heeft hij zijn telefoon in zijn hand, maar als je hem probeert te bellen neemt hij gek genoeg nooit meteen op. Wanneer je hem uiteindelijk te pakken krijgt duurt het nog twintig minuten voordat je elkaar gevonden hebt in het labyrint van gangen en kamers en dan pas kan hij je laten zien wat er moet gebeuren, en in welke ruimte. Met die taak ben je dan anderhalf tot twee uur zoet, waarna het spelletje opnieuw begint, totdat het halfvier is en iedereen van de buitenfirma’s hun gereedschap neerlegt en zich naar de busjes op de parkeerplaats haast. Het werk wordt per uur betaald. Het ziekenhuis betaalt het verhuisbedrijf en het verhuisbedrijf ons, maar dan een stuk minder, uiteraard. Langer dan acht uur per dag mogen we niet werken. Budgetkwestie.

“De rok die ze vandaag draagt is niet zo zeer kort maar wel behoorlijk nauwsluitend en op het moment dat wij binnen komen lopen bevinden haar billen zich op de rand van zijn bureau.”

We treffen de conciërge aan achter zijn bureau op de begane grond, een wellustige grijns op zijn gezicht. Hij deelt het kantoortje met een administratief medewerkster. De rok die ze vandaag draagt is niet zo zeer kort maar wel behoorlijk nauwsluitend en op het moment dat wij binnen komen lopen bevinden haar billen zich op de rand van zijn bureau. Hij merkt ons eerst niet op, geeft daar in elk geval niet direct blijk van. Pas als we met de armen over elkaar op het andere bureau gaan zitten wachten staat hij op, klapt in zijn handen en zegt: ‘Jongens! Eens even kijken wat we vandaag voor jullie kunnen verzinnen.’

Hij neemt ons mee naar de zevende verdieping. Daar is een polikliniek met een wachtruimte waarvan we het meubilair moeten afvoeren: houten stoeltjes zonder armleuningen op een metalen frame dat met bouten in de vloer is vastgezet. De koppen van de bouten zijn uitgesleten, de bitjes van de schroefmachine krijgen er geen grip op.

Verderop in de gang is een jongen van het sloopbedrijf bezig. Hij ziet ons klungelen en leent ons zijn koevoet. We wrikken de punt onder het frame en gebruiken een stuk hout als hefboom om het geheel omhoog te wippen.

Als de stoeltjes eindelijk los zijn rol ik ze op een hondje naar de lift terwijl Sebastiaan verdergaat met het loskoppelen van meubilair. Bij de lift aangekomen druk ik op de knop en staar naar het rood oplichtende vierkant. Het duurt lang. Ik kijk omhoog. Beide liften worden op de vierde etage vastgehouden; waarschijnlijk zijn andere werklui daar bezig om spullen in- of uit te laden.

“Mijn oog valt op een vrouw die traag langs de randen van de ruimte schuifelt. Ze draagt een nachthemd en duwt een standaard op vijf wieltjes voor zich uit. Daaraan bungelt een zak met vocht dat via een slangetje naar haar pols loopt.”

Op iedere verdieping bij de liften bevinden zich wat bankjes en kleine tafels met stoelen eromheen. Daar tussenin staan schotten waarop A4’tjes zijn geplakt met excuses voor het ongemak vanwege de renovatie. Samen werken we aan een betere toekomst en een mooier ziekenhuis, staat erop. We rekenen op uw begrip.

Ik ga zitten op een van de bankjes in de grote vierkante hal bij de liften, en wacht. Mijn oog valt op een vrouw die traag langs de randen van de ruimte schuifelt. Ze draagt een nachthemd en duwt een standaard op vijf wieltjes voor zich uit. Daaraan bungelt een zak met vocht dat via een slangetje naar haar pols loopt. Ze tilt haar voeten niet op, ik hoor de zolen van de pantoffels over het linoleum vegen – sshk, ssshk, ssshk.

Als ze voor me langs loopt kijkt ze me aan. Haar gezicht is gerimpeld als de schil van gedroogd fruit, het korte grijze haar daarboven steekt alle kanten op. Ik glimlach en kijk weg. De liften staan nog steeds vast op de vierde etage.

 Ze komt naast me zitten, houdt daarbij één vrije plek tussen ons in. Ze knikt naar het hondje met de stoelen erop, het oogt een beetje verloren daar in de grote lichte hal voor de deuren van de lift. ‘Jullie hebben het er maar druk mee.’

Ik weet niet zeker of ze het meent of dat ze het spottend bedoelt; uit haar blik valt weinig af te lezen. Ze maakt een vermoeide indruk, haar oogleden hangen.

‘Bezig met uw ochtendwandeling?’ vraag ik dan maar, om toch iets terug te zeggen.

‘Je moet een beetje in beweging blijven, hè. De hele dag op bed liggen, daar knapt geen mens van op.’

‘Bent u hier al lang?’

‘Nu bijna een week. Als het goed is mag ik morgen naar huis, eindelijk. Het zijn schatten hoor, de mensen hier. Maar ja, je ligt hier niet voor de lol.’

Ik vraag haar wat ze mankeert.

“‘In een paar jaar tijd werden er complete wijken uit de klei omhoog gestampt,’ zegt de vrouw en ze hoestlacht weer even in haar knuist. ‘De stad is net als het universum, ze blijft maar uitdijen.’ “

‘Ach jongen,’ zegt ze terwijl ze haar vuist naar haar mond brengt en een geluid voortbrengt dat tussen lachen en hoesten in zit. ‘Wat niet, kan je beter vragen. Ouder worden hoeft niet erg te wezen, zolang dat lijf maar een beetje meewerkt. Gelukkig woon ik hier vlakbij. Ik belde de ambulance en had nog niet opgehangen of ik hoorde de sirene al. In Osdorp woon ik. Bijna mijn hele leven. Drie keer struikelen en ik ben thuis, vanuit mijn kamer hier kan ik het dak van mijn huis zien.’

Ze begint te ratelen over vroeger. Vertelt hoe ze met haar ouders en zussen terechtkwam in een net opgeleverde woning in een zanderige straat, dat het gebied achter hun huis nog één grote polder was. ‘In een paar jaar tijd werden er complete wijken uit de klei omhoog gestampt,’ zegt de vrouw en ze hoestlacht weer even in haar knuist. ‘De stad is net als het universum, ze blijft maar uitdijen.’

Eindelijk arriveert één van de liften op de zevende etage. Ik wens de vrouw beterschap, sta op en duw het hondje met de stoelen de lift in.

“Rond een verpauperde flat van vier etages staat een hek. Daarachter ligt een laag puin van een gedeelte van het pand dat al gesloopt is. Brokken gewapend beton waar ijzer uitsteekt, stukken van baksteenmuren, hout, gruis. “

Als het rond het middaguur tijd is om te pauzeren trek ik mijn jas aan, pak een paar broodjes uit mijn tas en loop naar buiten; ik heb behoefte aan frisse lucht. Sebastiaan zegt dat hij weer in de opslagruimte op de bovenste etage gaat zitten; hij vindt het koud buiten.

Ik loop naar de doorgaande weg en steek die over, ga een woonwijk in. Rond een verpauperde flat van vier etages staat een hek. Daarachter ligt een laag puin van een gedeelte van het pand dat al gesloopt is. Brokken gewapend beton waar ijzer uitsteekt, stukken van baksteenmuren, hout, gruis. Daarbovenop staat een gele machine met een grijper aan een mechanische arm. Ik loop door tot aan de hoek en zie daar een groot reclamebord staan met daarop de naam van de projectontwikkelaar en een computerweergave van een bouwwerk met veel glas en lichte stenen dat hiervoor in de plaats zal komen.

Ik denk aan wat de vrouw in het ziekenhuis zei over complete wijken die in korte tijd uit de klei omhoog worden getrokken. Zo is er niets en zo iets – een beetje als met de oerknal, als het waar is wat ze zeggen.

“Ze gillen van plezier, de klanken uit hun kelen vermengen zich met de valse noten die opstijgen uit het instrument en samen weerkaatsen ze tussen de bakstenen muren van de flats. “

Op de stoep een paar straten verder, voor een portiek, staat een afgedankte piano naast een vuilcontainer. Twee jongetjes en een meisje rennen eropaf. Ze negeren hun moeder, een stevige gesluierde vrouw die een meter of tien achter hen met een kinderwagen loopt en hen iets toeschreeuwt in een taal die ik niet begrijp. Alle drie tegelijk beginnen de kinderen op de toetsen te slaan. Ze gillen van plezier, de klanken uit hun kelen vermengen zich met de valse noten die opstijgen uit het instrument en samen weerkaatsen ze tussen de bakstenen muren van de flats.

Als ik terugkom in het ziekenhuis is overal commotie ontstaan. Iedereen loopt verdwaasd door de gangen, overal klinkt rumoer, alsof er plotseling niemand meer is die weet wat er moet gebeuren of waarom ze hier überhaupt zijn. Hier en daar staat iemand te huilen. Ik zie hoe een schoonmaker een verpleegster troost en vang flarden van gesprekken op, mensen stellen elkaar vragen waar onbegrip en verslagenheid in doorklinkt.

Bij de liften kom ik Sebastiaan tegen. Zijn rugtas hangt aan één band over zijn schouder. Ik vraag hem wat er aan de hand is.

‘Ik weet het ook niet precies,’ zegt hij, ‘maar volgens mij zijn we vroeg thuis vandaag.’

De kikker en de muis

Posted by Oscar on  maart 2, 2019


Photo by Jack Hamilton on Unsplash

Gisteren stond ik vroeg op met de intentie om een voor mijn doen flink aantal pagina’s te vullen. Rond een uur of negen zat ik ook daadwerkelijk op de bank met mijn laptop opengeklapt op schoot, klaar om te beginnen, geen excuses meer, ik had al drie koppen koffie op. Een pagina of drie, dan zou ik tevreden zijn.

Ik keek naar buiten. Na de plotselinge lentedagen van afgelopen week was de lucht weer vertrouwd grijs. Dat kwam me niet slecht uit; van nature ben ik niet bepaald de belichaming van het woord discipline en wanneer de zon schijnt moet ik naar buiten. Sommige schrijvers schijnen graag buiten de deur te werken. Op een terras bijvoorbeeld, business en pleasure combinerend. Al zullen de meeste schrijvers, waaronder ikzelf, het gevoel hebben dat dat eerste begrip niet echt op hen van toepassing is.

Ook Hemingway vertelt in A Moveable Feast hoe hij pagina na pagina vol pende in Parijse cafés waar hij zich ondertussen bedronk. Het zal best een romantisch beeld zijn, de schrijver die zich aan zijn kunst wijdt te midden van de massa. Maar ik werk liever binnen. Op een plek waar ik niet zo snel bekeken kan worden, zodat niemand kan zien hoe weinig ik schrijf wanneer ik schrijf.

“Het voordeel van niks doen – en dat is waar het meestal op neerkomt wanneer ik tegen mensen zeg dat ik aan het schrijven ben – is dat de kleinste gebeurtenissen je opvallen, ook in een straat waar eigenlijk nooit iets gebeurt.”

Als ik in de huiskamer zit, op de bank of aan de eettafel, ben ik vanaf de straat niet te zien. Daarvoor zijn de struiken in de voortuin te hoog. Mijn uitzicht is dus niet erg spannend maar dat zou het zonder die struiken ook niet zijn.

Het voordeel van niks doen – en dat is waar het meestal op neerkomt wanneer ik tegen mensen zeg dat ik aan het schrijven ben – is dat de kleinste gebeurtenissen je opvallen, ook in een straat waar eigenlijk nooit iets gebeurt. Of lijkt te gebeuren. Want toen ik opkeek van mijn scherm – na ruim een uur was het nog altijd nagenoeg leeg – zag ik een ekster op een boomtak landen, en uit zijn bek bungelde een staart. Van een muis, zag ik toen de vogel het knaagdier op de tak liet vallen en weg vloog. De muis bleef levenloos op zijn rug liggen, het staartje bungelde over de rand omlaag.

“Van verzet was geen sprake. Het leek erop dat het amfibische slachtoffer zich met zijn lot had verzoend.”

Ik dacht aan de ochtend in Thailand toen ik had gezien hoe een slang een kikker opat. Het achterlijf was al verdwenen in de wijd opengesperde bek. Ik keek naar de uitpuilende ogen van de kikker en naar de keel die wild op en neer ging – een groen ballonnetje dat telkens opblies en weer leegliep. Af en toe bewogen de voorpootjes een beetje terwijl de reptielenkop steeds een stukje verder naar voren schoof en er telkens iets minder van de kikker zichtbaar was.

Ik hoorde het kraken van botten. De kikker scheurde aan de zijkant open, de ingewanden puilden eruit. Van verzet was geen sprake. Het leek erop dat het amfibische slachtoffer zich met zijn lot had verzoend. Uit de bek van het reptiel droop bloed en speeksel. Op de kop landde een vlieg die, zo stelde ik me voor, de kikker bespotte.

Zulke taferelen ontgaan je als je de hele dag druk bezig bent.

Vacuüm

Posted by Oscar on  januari 28, 2019

Een jaar of vijf geleden stelde ik mezelf een doel. Voor mijn dertigste zou ik een boek publiceren. Ik weet nog waar ik me bevond toen ik dat besloot: op een bed in de uitslaapzaal van het Rode Kruis Ziekenhuis, waar ik lag na te genieten van de dosis morfine die me was toegediend nadat er een cyste uit mijn balzak was weggesneden.

Op het nachtkastje naast mijn bed lag Charles Bukowski’s Tales of Ordinary Madness. Het moet tijdens het lezen van dat boek zijn geweest dat ik mezelf wijsmaakte dat ik schrijver was – dat ik mijn eigen verhalen van alledaagse waanzin te vertellen had.

Bukowski publiceerde zijn eerste verhaal in een tijdschrift toen hij 23 was (hoewel hij pas op middelbare leeftijd doorbrak). Arnon Grunberg – een andere door mij bewonderde schrijver die zijn leven fictionaliseerde tot literatuur – was 24 toen Blauwe Maandagen uitkwam. Op het moment dat ik mezelf die deadline oplegde in het ziekenhuis, was ik ouder dan zij waren toen ze debuteerden. Ik had dus iets in te halen – zo voelde het in elk geval. Een ijdele illusie. Alsof er iemand was die op mijn schrijfsels zat te wachten.

“We hebben een problematische relatie, de tijd en ik.”

Hoe dan ook: op 15 januari van dit jaar – zeventien dagen na mijn dertigste verjaardag – lag mijn eerste boek Vacuüm in de winkel. Dat was weliswaar tweeënhalve week later dan ik me vijf jaar eerder had voorgenomen, maar ik ben nu eenmaal met veel dingen wat later, van zindelijkheid tot seks.

Met de tijd heb ik het nooit al te nauw genomen. We hebben een problematische relatie, de tijd en ik. Ik beschouw haar zo’n beetje als een vervelende buur. Af en toe ben ik me onaangenaam bewust van haar bestaan maar meestal heb ik er schijt aan. Misschien ben ik zelf de vervelende buur. Of de tijd zich ook bewust is van mijn bestaan weet ik niet zeker. Soms vermoed ik wel dat ze schijt aan me heeft. Maar schijt hebben aan iets of iemand waarvan je je niet bewust bent, dat gaat dan weer niet. Eerst komt het bewustzijn, daarna het schijt hebben daaraan.

Hoe dan ook deden die zeventien dagen weinig af aan de euforie die ik ervoer tijdens de presentatie van mijn debuutbundel. Die vond plaats in Amsterdam, overigens bij dezelfde uitgeverij waar 25 jaar eerder Blauwe Maandagen verscheen. Vrienden, familie en collega’s waren naar de hoofdstad afgereisd voor een borrel en een gesigneerd exemplaar, maar niet voordat mijn lieve redactrice achter de katheder was gaan staan om een spreekwoordelijke veer bij me naar binnen te schuiven.

“Onsamenhangende anekdotes rolden over mijn lippen. Er kwamen dildo’s voorbij, bejaarde vrouwen met Korsakov, mollen en lijken.”

Het rumoer verstomde, haar stem vulde de ruimte. Ik stond naast haar te staan. Terwijl ik luisterde naar de lovende woorden die ze tot me sprak zocht ik naar een lichaamshouding die mijn ongemak kon verbloemen, waardoor die extra zichtbaar werd. Ook met aandacht heb ik een problematische relatie, tenminste wanneer die van te veel mensen tegelijk komt. Het brengt me uit balans. Gelukkig had ik net een nieuw biertje gepakt. Het koude blik lag in mijn hand als een anker op de bodem van een woelige zee. Alcohol, trouwe vriend in bange dagen.

“Waar ik eerst vreesde voor negatieve aandacht – slechte recensies – vrees ik nu voor helemaal geen aandacht.”

In de week voorafgaand aan de presentatie mocht ik te gast zijn in verschillende radioprogramma’s. In een café in Utrecht schoof ik aan bij Dolf Jansen en Felix Meurders voor een live-uitzending. Vooraf was ik nerveus, maar toen ik plaatsnam achter de microfoon vergat ik vreemd genoeg dat mijn stem op de radio te horen was. De presentatoren toonden zich belangstellend en joviaal. Voor ik het wist zat ik uit mijn nek te zwammen alsof ik ergens aan een bar zat. Onsamenhangende anekdotes rolden over mijn lippen. Er kwamen dildo’s voorbij, bejaarde vrouwen met Korsakov, mollen en lijken.

Nu is het klaar. Het boek is af en de rust is wedergekeerd. Wel is er een ander soort onrust ontstaan, één die van binnenuit komt (is dat eigenlijk niet altijd het geval?). Waar ik eerst vreesde voor negatieve aandacht – slechte recensies – vrees ik nu voor helemaal geen aandacht. Voor de vergetelheid waarin het resultaat van vijf jaar schrijven verloren gaat. Weer die ijdelheid, weer die problematische relatie met tijd en aandacht.

 ‘The only thing I knew how to do was to keep on keeping on like a bird that flew, tangled up in blue,’ zong Bob Dylan. En zo is het, ‘keep on keeping on’.

Het is tijd voor een nieuwe doelstelling, maar dit keer niet per se gebonden door tijd.

Cold Water

Posted by Oscar on  december 3, 2018

Een paar weken geleden reed ik op een zondag met mijn broer naar Antwerpen. We zijn allebei in het bezit van een rijbewijs maar niet van een auto, dus had ik die van mijn huisgenoot geleend.

Bij het opstaan had er een lichte dranknevel van de avond ervoor in mijn hoofd gehangen; er waren wat vrienden langsgekomen. Een koude douche bracht me bij de les. Dat klinkt misschien stoer, maar van een echte keuze was geen sprake: de cv-ketel had het begeven.

Ik was onder de ijzige straal gaan staan en had om het moreel hoog te houden geprobeerd Cold Water van Tom Waits te zingen – wat niet helemaal lukte omdat ik naar adem stond te happen (bovendien kan ik helemaal niet zingen, maar dat hoeft ook niet als je alleen onder de douche staat, zeker niet bij nummers van Tom Waits).

We parkeerden in een vak langs de weg, een meter of twintig van het theatercafé waar ik was uitgenodigd door de redactie van een Vlaams literair tijdschrift. We waren een half uur te vroeg. De deur was dicht, achter de ramen was het donker. We besloten een ommetje te maken.

Terwijl we liepen opperde mijn broer om op zoek te gaan naar een pinautomaat; eerdere ervaringen hadden hem geleerd dat betaling met pinpas in horecagelegenheden niet vanzelfsprekend is in Belgische steden.

“Hij lurkte bier uit een halfliterblik en maakte een uitnodigend gebaar naar het ding – alsof het zijn eigendom was en hij mij er in zijn gulheid gebruik van liet maken.”

Het was vroeg in de middag en stil op straat. Metalen rolluiken onttrokken de winkeletalages aan het zicht, de bomen en stoepen zagen geel van de bladeren.

In het voorportaal van een bank zat een man van middelbare leeftijd op een muurtje tegenover de geldautomaat. Hij lurkte bier uit een halfliterblik en maakte een uitnodigend gebaar naar het ding – alsof het zijn eigendom was en hij mij er in zijn gulheid gebruik van liet maken.

Nadat ik een paar toetsen had ingedrukt schoof er een stapeltje vijfeurobiljetten uit de gleuf. Vijfeurobiljetten uit een pinautomaat – het zijn de kleine verschillen waardoor je als Nederlander in België merkt dat je in een ander land bent.

Terug bij het theatercafé zagen we dat er nu wat mensen aanwezig waren. We gingen naar binnen. Ik herkende de man die me had uitgenodigd van zijn profielfoto. Hij schudde me de hand, gebaarde naar de lege tafeltjes achter hem en vroeg ons ergens plaats te nemen.

“Jonge mensen, het merendeel tussen de twintig en dertig, die zichzelf net als ik hadden wijsgemaakt dat ze schrijvers waren en zich daarbij ook als schrijvers hadden verkleed.”

Rond de grote tafel bij het raam zat een groepje waarvan ik vermoedde dat het mijn collega’s waren. Jonge mensen, het merendeel tussen de twintig en dertig, die zichzelf net als ik hadden wijsgemaakt dat ze schrijvers waren en zich daarbij ook als schrijvers hadden verkleed. Hoe je dat doet weet ik niet precies; we zagen er ook allemaal heel verschillend uit. Misschien had het meer met uitstraling dan met uiterlijk te maken. Iedereen een beetje ongemakkelijk, iets te zelfbewust.

Er druppelden nog wat schrijvers binnen met introducées aan hun zijde of in hun kielzog. Zo te zien kenden veel van hen elkaar al; er werd geknuffeld en gezoend. Aan mijn broer en mij werd weinig aandacht besteed. Zelf deden we eerlijk gezegd ook geen moeite. We schoven onze konten over een paar barkrukken voor de nog onbemande tap en sloegen het tafereel gaande, een beetje ongemakkelijk en iets te zelfbewust.

“Naast me zat een Vlaamse dichter. Hij liet me zijn drie poëziebundels zien. Ik dacht aan de paar uitgeprinte A4’tjes die opgevouwen in mijn jaszak zaten, met daarop de tekst die ik in de week ervoor voor de gelegenheid had geschreven.”

Niet veel later werden de schrijvers door de organisatoren naar boven meegenomen voor een briefing, de introducées bleven beneden bij de bar achter. We belandden in een ruimte waar tafels in een U-vorm stonden opgesteld. Er werden belegde broodjes en soep geserveerd, gesprekken kwamen voorzichtig op gang. Naast me zat een Vlaamse dichter. Hij liet me zijn drie poëziebundels zien. Ik dacht aan de paar uitgeprinte A4’tjes die opgevouwen in mijn jaszak zaten, met daarop de tekst die ik in de week ervoor voor de gelegenheid had geschreven.

De bedoeling van het evenement was dat er per gespreksronde twee schrijvers plaatsnamen aan een tafel om eigen werk voor te dragen. Daarna konden de toehoorders met elkaar en met de schrijvers in gesprek.

Er waren negen tafels en drie gespreksrondes. Bij de eerste ronde speelde ik papier-steen-schaar met de schrijfster naast me om te bepalen wie als eerste zou voordragen. Ik verloor en begon.

Na een minuut vroeg een vrouw met een blonde pony en een Vlaams accent of ik wat langzamer kon praten. Ik zei dat ik mijn best ging doen.

“De taal was beeldend, haar voordracht superieur aan de mijne. Er zat ritme in haar spraak en haar handen dansten mee.”

De schrijfster naast me had wat prozagedichten meegebracht. Ik verwachtte er niet veel van maar hing al snel aan haar lippen. Eén van de stukjes ging over autisme, een ander over het stockholmsyndroom. De taal was beeldend, haar voordracht superieur aan de mijne. Er zat ritme in haar spraak en haar handen dansten mee.

Bij de tweede tafel begon ik opnieuw met voordragen. Ik was de vrouw met de blonde pony nog niet vergeten en deed mijn best om langzaam te spreken. Toen ik klaar was zei de gespreksleidster dat we in verband met de tijd snel doorgingen met de schrijver tegenover me.

In de laatste ronde bleken er alleen maar schrijvers aan tafel te zitten, en omdat er geen tijd was om ons allemaal te laten voordragen werden er twee uitgekozen. Ik werd niet uitgekozen en leunde achterover, zwijgend en opgelucht.

Na afloop trof ik mijn broer aan in de bar. Hij was in gesprek geraakt met de echtgenoot van de stadsdichter van Brugge. Een vriendelijke man. Hij had kort donker haar en fonkelende ogen en wilde hier net als mijn broer eigenlijk niet zijn.

Ze waren allebei meegegaan om iemand te steunen.

Vies woord

Posted by Oscar on  oktober 27, 2018

Een paar weken geleden werd ik door een goede vriendin overgehaald om deel te nemen aan een training die zij samen met een collega aan startende ondernemers gaf. De training heette ‘Jouw Ondernemersrol’. Ze was er daarvoor ook al een keer over begonnen. Bij die gelegenheid had ik iets gemompeld over het verschil tussen kunstenaars en ondernemers, om daarna snel nog een plons wijn in haar glas te gooien en over iets anders te beginnen.

Het doel van de training was om de deelnemers te helpen bij het formuleren van hun kernactiviteit. Daar kon ik helder over zijn, ik schreef fictie. Korte stukjes die niemand las. Dat gaf op zich niks, wat niet was kon nog komen. ‘Bovendien schrijf ik toch vooral voor mezelf,’ hoorde ik mezelf zeggen.

‘Ik ben geen ondernemer,’ zei ik. ‘Ik ben schrijver.’

‘Schrijvers zijn ook ondernemers,’ vond zij.

De schrijver die zijn teksten aan de man brengt zoals een fruitboer op de markt dat met zijn sinaasappelen doet. Als een kunstenaar leeft van zijn creaties, is zijn kunst dan een product? Is er iemand die dat iets kan schelen, behalve de belastingdienst?

Dat waren enkele vragen die ik voor mezelf hield in de ruimte die mijn vriendin en haar collega hadden gehuurd. Het was de plaats noch de tijd voor pseudofilosofische kwesties. Rond de vergadertafel zaten vijf andere deelnemers die onlangs een bezoek aan de Kamer van Koophandel hadden gebracht, of dat van plan waren te doen. In tegenstelling tot mij leken ze ondernemen geen vies woord te vinden. En waarom zouden ze ook? Ze hadden besloten hun kennis in te zetten om hulpbehoevenden in de samenleving van dienst te zijn. Een deelneemster gaf stoelyoga en handmassages aan oude mensen, twee dames gebruikten hun bevlogenheid en netwerk om werklozen aan een baan te helpen. Handen uit de mouwen, voeten in de modder. Om eens wat ondernemersjargon te gebruiken.

Zelf bleef ik liever vanaf de zijlijn staan observeren. Op een zeker moment zou ik er iets over kunnen schrijven, zo’n kort stukje wat niemand leest.

Dwalen in de trein

Posted by Oscar on  september 30, 2018

Op de terugweg van Parijs naar Amsterdam stond ik op om naar het toilet te gaan. Mijn moeder zat naast me en moest ook. ‘Maar ik wacht wel tot we in Amsterdam zijn. Het is altijd zo’n gedoe in de trein.’

Wanneer ik net als mijn moeder de zestig gepasseerd ben hoop ik over dezelfde mate van continentie te beschikken als zij. Al uren hield ze het op. Eerder die dag hadden we vorstelijk zitten lunchen aan een bespottelijk klein tafeltje in een bistro in Montmartre, waar we dessert en koffie en dus ook een bezoek aan het toilet moesten afslaan omdat de tijd plotseling tot ons doordrong. Over 47 minuten zou de Thalys in noordelijke richting vertrekken. Gare du Nord was twee metrohaltes verderop, maar onze tassen stonden nog in de bagageopslagruimte van ons hotel in het 10e arrondissement.

We baanden ons een weg door de menigte toeristen en de portrettekenaars en sprintten met meerdere treden tegelijk de trappen onderaan de Sacre Coeur af. Ik voorop, mijn moeder in mijn kielzog. Naast haar continentie is ook met haar conditie weinig mis.

‘Ik ga wel in het hotel,’ zei ze toen we in de metro op adem stonden te komen. Maar aangekomen in het hotel deed de angst om de trein te missen haar besluiten om toch maar direct koers te zetten richting Gare du Nord.

“Dit keer ging mijn moeder voorop en was ik het die in haar kielzog volgde.”

 

Onze stoelen bevonden zich in de 16e wagon. In de laatste minuten voor vertrek haastten we ons over het perron naar voren langs knuffelende mensen en treinpersoneel dat in de deuropeningen stond te wachten.

Dit keer ging mijn moeder voorop en was ik het die in haar kielzog volgde. De trein was lang en het spoor liep in een flauwe bocht weg van het station, waardoor de voorkant van de trein voor ons niet zichtbaar was. Telkens doemde er een nieuwe wagon op voor het voorste compartiment dat wij konden zien.

Eenmaal in de 16e wagon van de eindeloos lange trein lieten we ons zakken in de zachte, comfortabele zetels. De adrenaline die onze lijven 47 minuten lang door Parijs had voortgestuwd ebde langzaam weg. Het duurde niet lang voordat we allebei in slaap dommelden terwijl de keten van wagons als een zilveren slang door het glooiende landschap naar het noorden gleed.

“Mijn moeder was ineens verdwenen, en met haar onze bagage, die we in het rek boven de stoelen hadden gelegd.”

 

Het moet ergens tussen Antwerpen en Rotterdam geweest zijn dat ik het vacuümtoilet doortrok en terugliep naar mijn zitplaats. Mijn moeder was ineens verdwenen, en met haar onze bagage, die we in het rek boven de stoelen hadden gelegd.

De verwarring moet in mijn ogen zichtbaar zijn geweest. Ik voelde de blikken van mijn medepassagiers op me gericht. Ik keek naar hun gezichten maar herkende niemand. Misschien was ik uit het toilet vandaan de verkeerde coupé in gelopen. Maar nadat ik me had omgedraaid kwam ik voorbij de toiletten in de restauratiecoupé terecht – hier was ik op weg naar het toilet zéker niet langs gekomen.

Ik dacht aan het boek dat een Engelse vriendin van me aan het schrijven is, The Paris Train. Het gaat over een stel in een nachttrein dat per ongeluk van elkaar gescheiden wordt als het voertuig zich splitst, waarna ze in verschillende Europese steden terechtkomen. Maar welke debiel verdwaalt er nu in een trein waarbij dat niet het geval is?

Opnieuw ging ik de andere kant op, inmiddels in lichte paniek. Terwijl ik mezelf van rugleuning naar rugleuning door de coupé sleepte hoorde ik de stem van mijn moeder naast me. ‘Oscar?’

In mijn herinnering hadden we rechts van het gangpad gezeten, maar zij zat nu links van mij. Ik moet, nadat ik was opgestaan om naar het toilet te gaan, de coupé niet voor maar áchter hebben verlaten. Links en rechts was omgedraaid. Ik had simpelweg over haar heen gekeken.

Met opgetrokken wenkbrauwen keek ze naar me, geamuseerd en een beetje verbaasd. ‘Zag je me niet zitten?’

Beschaamd over zoveel domheid nam ik zwijgend plaats en wachtte tot de adrenaline opnieuw uit mijn aderen verdween.

Bloedzuigers

Posted by Oscar on  september 8, 2018

Meestal val ik in slaap als een dronken baby zodra mijn hoofd het kussen raakt, maar afgelopen nacht lag ik urenlang wakker. De muggen, hoewel vervelend, waren daarvan niet de oorzaak; normaal gesproken slaap ik door het zoemen van hun trillende vleugels heen. Wat de oorzaak wel was weet ik niet. Ik lag weliswaar in een slaapzak op een vreemd bed, maar dat kwam wel vaker voor en bovendien was er niets waarover ik piekerde, behalve het feit dat ik nog steeds wakker was.

Rond kwart voor één was ik naar bed gegaan, rozig van de warmte van het haardvuur en het kratje Brand dat ik met twee vrienden soldaat had gemaakt. Beneden op de bank waren zij nog bezig met een potje schaak. Ik had researchmatig naast hen zitten lezen in een boek over verslaving, maar op een gegeven moment begonnen mijn ogen dicht te vallen.

Buiten lag het Drentse heidelandschap donker en stil om ons heen. We hadden ons hier teruggetrokken in dit huisje om het scenario voor een speelfilm in de steigers te zetten. De eerste dagen was er weinig bruikbaars op papier gekomen. We wandelden en dronken en voerden lange gesprekken, maar pas gisteren kregen we eindelijk iets te pakken.

Volgens David Lynch is schrijven zoiets als vissen: je moet geduldig zijn maar continu alert. Onder de oppervlakte leeft van alles, je moet wachten tot je iets voelt trekken aan je lijn en vervolgens de inspanning leveren om de vangst boven water te krijgen.

Ik had gewacht, en ik had inspanning geleverd. Vermoeid was ik mijn slaapzak ingekropen, om vervolgens urenlang naar het gezoem van muggen te luisteren. Steek me dan, dacht ik. Zuig je vol en laat me dan met rust (ik heb het geluk dat mijn lichaam nauwelijks reageert op het gif).

“Ooit nam ik me voor om niks meer te doden tenzij ik de intentie heb om het op te eten. Gedreven door irritatie en het verlangen naar slaap zette ik dat voornemen opzij.”

Toen ik op mijn telefoon keek om te zien hoe laat het was – 04.00 – zag ik op centimeters van mijn hoofd twee muggen op de muur zitten. Ooit nam ik me voor om niks meer te doden tenzij ik de intentie heb om het op te eten. Gedreven door irritatie en het verlangen naar slaap zette ik dat voornemen opzij.

Misschien dat de bevrediging van het pletten van de muggen de melatonine-aanmaak in mijn hoofd stimuleerde, want het beeld van de twee rode vlekken op de muur naast me is het laatste wat ik me van die nacht herinner. Toen ik wakker werd was het licht.

Ik liep naar de badkamer om mijn blaas te legen, trok mijn boxershort omlaag en plukte een donker pluisje van mijn ochtenderectie af. Dat probeerde ik althans; het pluisje liet niet meteen los, het leek in de huid van mijn penis vastgehaakt te zitten.

Toen ik het tenslotte toch tussen mijn nagels te pakken had weten te krijgen bekeek ik het van dichtbij. Aan het pluisje zaten pootjes. In de dagen ervoor had ik al verschillende teken uit mijn been verwijderd, maar die waren minuscuul geweest. Dit exemplaar had zich flink aan mij tegoed gedaan. Hij stond zo’n beetje op knappen van het bloed dat bedoeld was om door mijn zwellichamen te gieren.

Ik scheurde een velletje wc-papier af en legde de parasiet erop. Ik zag de pootjes bewegen, belachelijk klein in verhouding tot de rest. Met de achterkant van mijn tandenborstel drukte ik het bolle, volgezogen lijf kapot. Een rode vlek breidde zich langzaam uit op het papier.

Organismes hadden zich aan mij gevoed. Er was een idee geboren. Al met al leek het me een vruchtbare week.

Het uitzicht op Verona

Posted by Oscar on  augustus 2, 2018

Tags: , ,

In de langgerekte schaduw van een conifeer schuil ik voor de Italiaanse zon. Beneden aan de voet van de San Pietro-heuvel ligt de binnenstad van Verona te baden in gelig namiddaglicht. Kerktorens en kathedralen steken omhoog uit een zee van rode dakpannen, de Adige stroomt grijsblauw en glinsterend onder Romeinse bruggen door. Vanuit de struiken stijgt het getjirp van een onzichtbaar leger van krekels op, en zowel het schelle geluid als de hitte zijn overal en tegelijkertijd nergens en sluiten zich als water om me heen.

Ik ben hier niet alleen. Want het is juli en ik ben een toerist en toeristen zijn niet alleen, hoe graag ze ook zouden willen. Ik zie ze zitten op het stenen muurtje verderop, de spiegelreflexcamera’s met telelenzen bungelend aan koorden rond hun zweterige nek. De petjes, de hoeden, de afritsbroeken, de instapschoenen. Ik zie ze, mijn soortgenoten, alsof ik geen deel van het uitmaak.

‘Water?’ vraag ik aan de vrouw met wie ik hier gekomen ben, en ik steek mijn fles naar haar uit. Vanaf Casa di Guilietta heeft ze niks meer tegen me gezegd. Als het ook nu stil blijft en ik haar blik zoek keert ze zich van me af. ‘Drink some water,’ zeg ik. ‘You hardly drank anything. You may be upset but you’re still going to need water.’

We zijn hier gekomen via een trap die zigzaggend tussen de huizen door omhoog loopt. Daarvoor hebben we eerst een halve kilometer langs de rivier geslenterd, met steeds een meter of vijftig tussen ons in. Af en toe bleef ik staan om te zien of ze me nog volgde. Dan bleef zij ook staan en keek ze naar het water.

Even daarvoor stonden we in een massa toeristen op de binnenplaats van Casa di Guilietta, loerend naar het balkon waarnaar – volgens het verhaal – ook Romeo ooit loerde, met het verschil dat hij daarvoor een valide reden had gehad.

Iedere paar tellen verscheen er een nieuw stel op het balkon en werden er vanaf de binnenplaats driftig foto’s genomen. De vrouw met wie ik gekomen was legde haar arm om me heen en richtte de selfiecamera van haar telefoon op onze hoofden. Daarboven hing het beroemde balkonnetje uit het verhaal van Shakespeare in al haar glorie te hangen. ‘No,’ hoorde ik mezelf zeggen. ‘This is stupid.’

Ik draaide me om en liep het huis in om een entreekaartje te kopen. Misschien dat daarbinnen wel iets te zien was. Boven, in de kamer waar de stelletjes in de rij stonden om samen op het balkon te kunnen staan, kwam er een Italiaan op me af. Hij had een paar droevige labradorogen en hield zijn camera in de kom van zijn handen voor zijn borst, alsof het een geschenk was dat hij me op plechtige wijze aanbood. Of ik vanaf de binnenplaats een foto van hem en zijn vriendin wilde maken. Ze waren al bijna aan de beurt.

Beneden begaf ik me opnieuw tussen mijn soortgenoten. Gehoorzaam richtte ik de camera van de Italiaan op het balkon, en wachtte, de ogen van haar met wie ik gekomen was van achteren op me gericht.

Molte grazie!’ riep de Italiaan toen ik hem zijn camera teruggaf. ‘You want a picture together?’

Ik keek opzij in een paar ogen zo donker als een waterput, en wist dat het te laat was. ‘No thanks, it’s all right,’ zei ik tegen de Italiaan en draaide me om richting de uitgang, hem achterlatend in lichte verwarring.

‘Come on, drink some water. It was just a photo.’

Ze trekt de fles uit mijn handen en neemt een paar slokken en geeft hem terug en begint dan de trap af te lopen richting het oude deel van Verona, stad van de liefde.

Wachten op Tripels

Posted by Oscar on  juli 1, 2018

Tags: , ,

Voor een zonnige zaterdag viel het mee met de drukte op het strand. Binnen in de strandtent was ik de enige wachtende. Toch beende de jongen die de bestellingen moest klaarmaken driftig heen en weer achter de bar alsof er een rij tot buiten stond. Hij was lang en had zich nog niet helemaal weten te bevrijden van zijn puberale slungeligheid. Zijn blik schoot langs de bonnetjes, zijn lippen bewogen geluidloos terwijl hij zichzelf voorlas wat hij in moest schenken. Hij friemelde wat aan de glazen op het druiprek, veegde zijn handen af aan zijn broek, bukte om de koelkast open te trekken.

In afwachting van het verschijnen van mijn bestelling had ik plaatsgenomen op een barkruk. De jongen zette een leeg dienblad voor me neer. Dat was een begin. Nog drie Brugge Tripel en een limonade voor het zoontje van mijn vriend erop, en ik zou een tevreden klant zijn. Hoewel er verder niemand anders stond te wachten, werd het dienblad met frisdrank gevuld, en even later meegenomen door een meisje met blond haar en witte benen.

Een volgend dienblad werd gevuld, maar wederom niet met de door mij bestelde Belgische beukers. Mijn vriend kwam aangelopen om te zien waarom het zo lang duurde. Hij lurkte aan een elektrische sigaret en liet een wolk van witte damp uit zijn mond ontsnappen. De zoete geur voerde me terug naar Turkse badplaatsen, terrassen met waterpijpen op de tafels. Plotseling dook het meisje met de witte benen naast ons op. ‘Wilt u buiten gaan roken?’

‘Ik rook niet.’

‘Toch wil ik dat u naar buiten gaat.’

Hij keek mij aan, schudde zijn hoofd en draaide zich om. Het meisje ging verder met haar werk, ik bleef achter aan de bar, waar ik de bewegingen van de jongen gadesloeg. ‘Wordt u al geholpen?’ vroeg hij.

‘Dat vraag ik me ook af,’ zei ik. ‘Ik heb wel al betaald.’

Ik herhaalde mijn bestelling, de jongen zette het op het dienblad, ik bedankte hem en liep naar buiten, de zon in, waar ik ondanks de weinig efficiënte  bediening toch een zekere mate van dronkenschap wist te bereiken.